EPAP en drukondersteuning
ASV-modus
In de ASV-modus stellen zorgverleners de positieve luchtwegdruk bij uitademing (EPAP) in en past deze aan om obstructieve gebeurtenissen te beperken of te elimineren. Om te voldoen aan de behoeften van de patiënt varieert de drukondersteuning (PS) tussen de waarden Min PS en Max PS. Indien nodig levert het apparaat verplichte ademhalingen op de recente spontane ademhalingsfrequentie van de patiënt. Dit betekent dat de getimede back-upfrequentie wordt aangepast aan de behoeften van de patiënt wanneer er gebeurtenissen plaatsvinden.
ASVAuto-modus
Wanneer het apparaat in de ASVAuto-modus werkt, past het automatisch de uitademingsdruk (EPAP) aan om de bovenste luchtwegen open te houden. Het apparaat analyseert de staat van de bovenste luchtwegen van de patiënt bij elke ademhaling en levert uitademingsdruk binnen een gewenst bereik (Min EPAP en Max EPAP) om obstructies te elimineren. Het apparaat past de EPAP automatisch aan door drie parameters te meten: beperkingen van de inademingsluchtstroom, snurken en obstructieve apneus.
Drukondersteuning
Drukondersteuning (PS) is het verschil tussen de piekdruk wanneer de inademing eindigt en de minimumdruk wanneer de uitademing eindigt (met andere woorden, de amplitude van de drukgolfvorm die aan de patiënt wordt geleverd). De AirCurve 11 CS-A PaceWave™ stelt de triggerpunten voor drukondersteuning (Inademing:Uitademing en Uitademing:Inademing) automatisch in door de ademhalingsluchtstroom van de patiënt te meten. Het AirCurve 10 CS-A PaceWave-algoritme past de geleverde druk automatisch aan om de ademhalingsluchtstroom van de patiënt gelijkmatig te houden.
